Two-Lane Blacktop (Monte Hellman, 1972)

Two-Lane Blacktop is overduidelijk een exponent van de seventies en neemt in het kielzog van Easy Rider (1969) een belangrijke plaats in te midden van roadmovies zoals Five Easy Pieces (1970), Zabriskie Point (1970), Duel (1971) en Badlands (1973). Hoewel racewagens en uitgestrekte wegen belangrijke elementen zijn, probeert Monte Hellman echter met alle macht niet te voldoen aan de conventies van de roadmovie. In plaats van sprankelende races over het bloedhete asfalt, krijgen we hier te maken met de zielenroerselen van de racers. Gladde gasten en hitsige cockpitbimbo’s maken plaats voor stoners en een hippiemeisje.

Two-Lane Blacktop, een existentiële road trip

De focus ligt in Two-Lane Blacktop niet op snelheid en actie, maar op stilte en afkeer van de maatschappij. Zowel de bestuurder, de monteur als wel de G.T.O. zijn alle drie fel gekant tegen de bourgeoisie-cultuur en verkiezen het ‘vrijheid, blijheid’-principe boven al het andere. Dit bestaan kent natuurlijk wel een hoge prijs: de nietsontziende leegte. Het is niet zo dat de drie al snuivend en neukend het leven doorstaan als in een Dionysische orgie, nee, Hellman portretteert vooral de diepe verveling. Het verwerpen van mainstream Amerika betekent zogenaamd de aankomst van vrijheid, maar in feite geeft deze onthechting van alles de drie mannen maar weinig genoegdoening. Dit vertaalt zich zeer sterk in de hele presentatie van de film. Ze is namelijk saai, zeer saai, op sommige momenten zo saai dat ik behoefte had aan een injectienaald met pure cafeïne. Soms valt de film erger stil dan tijdens de heftigste temps morts in L’avventura (1960).

De illusie die vrijheid heet

De individuele beleving op de weg, de lange routes zonder eind, het eindeloze wachten, dit alles vindt eveneens zijn weerslag op de kijker. De pseudo-look-a-likes ‘Driver’ en ‘Mechanic’ zijn identiteitsloos – road zombies -, het plot slaat vooral zij-wegen in en de hoofdrolspelers houden zich bezig met niets anders dan trivialiteiten: het bestellen van een biertje, het opmaken van een bed, cola drinken bij de pomp en het verwisselen van een band. De beslommeringen zoals we ze al tegenkwamen in Europese auteurscinema in het decennium daarvoor wordt hier op ‘eigentijdse’ wijze overgeheveld naar de Amerikaanse tegencultuur. Hellman doorprikt in deze beslommeringen de mythe van de vrijheid die de hoofdpersonen zo sterk najagen. Want ondanks hun bestaan als auto-nomade zijn ze sterk afhankelijk van hun seksuele verlangens. De drie gasten proberen alle drie het lelijke meisje te verleiden en op oude knakker Warren Oates na wordt er flink op los geflikflooid. De kritiek van Two-Lane Blacktop luidt aldus: ze zien het meisje als bezit en in die zin zijn ze nog steeds slachtoffer van de maatschappij die ze zo verafschuwen. Het doet me denken aan de new-age-goeroe die volledige vrijheid van verlangen omarmt maar na zijn verlichtingspraatje wel zijn studentes uitwoont.

Op het eind van de film vraagt een van de lethargische gozers aan het meisje of ze zich wil aansluiten bij het gezelschap. Haar simpele, maar resolute respons ‘no good!’ geeft in die zin het falen van de jongens prijs: ze zijn nog altijd gebonden aan iets. Het meisje daarentegen kiest het hazenpad en springt achterop bij een biker. Ik vond het mooi dat Hellman zo de farce van vrijheid weet weer te geven, want verder was Two-Lane Blacktop een saaie film.