Shoah (Claude Lanzmann, 1985)

Shoah
Voordat ik aan Shoah begon, had ik het gevoel dat het vooral zou leiden tot een pyrrusoverwinning. Gelukkig viel de vrees voor ellenlang getuigenis-geouwehoer alleszins mee. Integendeel. De getergde herinneringen van de Holocaustoverlevenden hielden me in een sterke houtgreep. Zo sterk dat ik de 9.5 uur aan documentatiemateriaal in één ruk tot me nam en met een lamgeslagen en terneergeslagen gevoel achterbleef. Natuurlijk is de Holocaust tot vermoeiens toe in het collectieve bewustzijn ingepeperd. Niet alleen in de verplichte geschiedenislessen op school maar ook in de vele filmische en literaire uitingen. Toch gaven de overpeinzingen van de geïnterviewden een extra dimensie aan de bekende overlevering. Dit in de vorm van een diep persoonlijke blik op het Lijden. Met recht met hoofdletter L.

Shoah en het kwaad.

Elk verhaal drukte op een geheel eigen manier een stempel op het kwaad dat in de concentratiekampen naar voren kwam. Gelukkig ging de regisseur Claude Lanzmann in zijn interviews op een beheerste manier te werk. Tien uur kattengejank zou te veel van het goede zijn geweest. Voor zo’n emo-circus was hier ook geen plaats, al was het maar omdat het de insteek van Lanzmann was om een zo objectief mogelijk beeld te geven van de verschrikkingen in Chelmno, Treblinka, Auschwitz en de ghetto in Warsaw. Om deze objectiviteit te bereiken leunt hij sterk op de getuigenissen van de overlevenden. Hoewel een gortdroge historicus eens in de zoveel tijd zijn relaas doet en met veel verbale bombarie allerlei technische procedures en socio-historische contexten probeert aan te stippen, geven de voormalig kampbewoners natuurlijk de meest directe toegang tot de verschrikking.

Shoah Treblinka
Een van de hoogtepunten (een wrang gekozen woord) is het verhaal van Abraham Bomba. Dit is een wat schreeuwerige maar bevlogen kapper, die de vrouwen voor hun dood moest voorzien van een nieuwe coupe. Op het moment dat hij de herinnering aan de knipbeurten in de ‘Himmelweg’ – de laatste wandelgang voor de gaskamer – naar boven probeert te halen, breekt hij en vloeien de tranen rijkelijk. Het lijden van Bomba drukt een exces uit. Een overbodig en zinloos lijden dat bovenal in geen enkele bestaande orde kan worden geïntegreerd. Het kwaad leidt tot onmacht, namelijk de onmacht om ook maar enige zinvolle betekenis aan het lijden toe te kennen. Zelfs dertig jaar later heeft het slachtoffer nog geen enkele zinvolle toegang tot de gruweldaden.

Dit absolute kwaad komt ook sterk aan bod in het geval Filip Müller. Van alle geïnterviewden biedt hij de meest rationele uitweidingen. Bijna methodisch beschrijft hij zijn werkzaamheden in het concentratiekamp van Treblinka. Met een zalvende stem loodst hij de kijker heel beheerst door de alledaagse praktijk van de doodsmachinerie. Maar zelfs in deze omgeving van doorgeslagen mechanisering dringt bij Muller plots de onbeschrijflijke absurditeit van dit alles door. Na de kalme uiteenzetting van al deze processen in het kamp komt hij aan bij het laatste eindpunt, de gaskamer. En daar ontglipt hem opeens duidelijk de laatste houvast op het irrationele. Ook bij hem leidt deze realisatie tot een diep lijden, iets dat mij ook niet geheel onberoerd liet.

Naast de tigtallen slachtoffers richt Lanzmann zijn blik ook op enkele onmenselijke boefjes. Understatement. Het meest schrijnende voorbeeld daarvan is Franz Suchomel, een SS-officier in Treblinka die zonder enige vorm van empathie en op abjecte wijze – aanwijsstok in de hand en met een zelfgenoegzame glimlach – nonchalant uiteenzet hoe hij zich al die jaren heeft misdragen. Dit alles wordt geregistreerd door een korrelige verborgen camera, waardoor Suchomel als exponent van het absolute kwaad een extra lugubere dimensie krijgt. Desalniettemin toont het gelijk de onnadenkendheid van de Duitse officier aan. Want ook hij is – net als vele lui toentertijd – een onnadenkend radartje in de grote machinerie geweest.

Abraham Bomba
Lanzmann heeft in zijn decennium lange speurtocht naar al deze mensen niet alleen z’n blik geworpen op de slachtoffers en misdadigers. Ook laat hij enkele ooggetuigen aan bod komen. Hierin schuilt naar mijn idee een van de weinige manco’s van de film. Het overgrote deel heeft vrij weinig te melden. Maar ook maakt hij bij veel van die Pools sprekende dorpsbewoners gebruik van een tolk. Hierdoor gaat er veel overzicht verloren. De een of andere heikneuter houdt een lang relaas en ondertussen kunnen we niets anders doen dan staren naar de puisten op zijn boerenkop. Vervolgens volgt er een vertaling van een mierzoete Franse dame, alvorens Lanzmann zijn volgende vraag kan stellen. Dit is onnodige tijdverspilling – anders zou de film misschien wel drie uur minder duren – en dus een wat misplaatste technische keuze.

Verder prijs ik Lanzmann wél om zijn technische invalshoek. Ondanks de wat goedkope filmstock (waarschijnlijk geplukt uit een aftands Pools lab), bieden zijn langzame tracking shots in de concentratiekampen een mooi contrast met de vertellingen die op de geluidsband voortslepen. De desolate, kalme landschappen en de geruïneerde gebouwen roepen op geen enkele manier de herinnering op aan vroegere verschrikkingen. Met het verstrijken van de tijd lijken de sporen van het kwaad te zijn uitgewist. Gelukkig bieden de herinneringen van al deze mensen een mogelijkheid om de verschrikkelijke betekenis in deze plekken te behouden.