Europa ’51 (Roberto Rossellini, 1952)

De stedelijke ruïne is in het naoorlogse Rome van Europa ’51 op zijn retour, maar nog altijd is er sprake van socio-economische ellende. Irene Gerard (Ingrid Bergman) heeft hier echter geen last van. Zij behoort tot de bourgeoisie en staat in haar luilekkerland mijlenver van de armoedige arbeiders af. Plotsklaps pleegt haar zoontje echter zelfmoord. Naast de rouw-rompslomp krijgt ze last van een ongehoord groot schuldgevoel. Gevaarlijk balancerend op het randje van een neurose is ze de situatie niet de baas en geeft zo al haar redelijkheid uit handen. In haar shocktoestand probeert ze, zo goed en kwaad als het kan, toch te zoeken naar zingeving en zo komt ze via via in het leven als arbeider terecht. Ze begint te werken in een fabriek, waarin de arbeiders opzichtig – maar volkomen logisch – zijn gereduceerd tot werkzombies: Rossellini benadrukt dit maar al te graag door de monotone wandelgang van alle arbeiders in de fabriek en de snelle editing bij de pulserende bewegingen van de drukpersen.

Een heilige in het gekkenhuis

Langzamerhand dompelt Irene zich onder in deze radicaal andere wereld en maakt ze kennis met de communistische idealen. Een ware gotspe, want in haar vroegere milieu was ‘Marx’ een taboe. Maar zelfs in haar rol als socialist lukt het Irene niet om zich te ontrukken aan het Grote Lijden. Haar aanvankelijke verdriet over haar zoon verschuift meer en meer naar de achtergrond zodra ze besluit zich te ontfermen over het lijden van iedereen. De zorg voor de ander neemt buitenproportionele en zieke vormen aan, zodat de koningin der compassie haar verplichte toevlucht moet nemen tot een gekkenhuis. Hier slaat haar gedachtenwereld nog meer op hol. In plaats van dat haar zelfhaat zich manifesteert in een automutilatie-spektakel transformeert ze zichzelf tot heilige. Haar verlangen om de wereld lief te hebben in de rol van martelaar baart haar (rijke) omgeving grote zorgen en dus is ze gedoemd tot een permanent verblijf in de instelling.

Eenvoudige kritiek op ideologie

Je zou denken dat Roberto Rossellini en Ingrid Bergman goed uit de voeten zouden kunnen met een dergelijk ‘heilig’ onderwerp. Hij maakte immers een jaar daarvoor een portret van de vrome Franciscus van Assisi in The Flowers of St. Francis (1950) en zij vertolkte Joan of Arc in de gelijknamige film van Victor Fleming (1946). Toch slagen ze er niet geheel in om dit potentieel interessante gegeven vorm te geven. Rossellini wil er te veel een maatschappijkritische film van maken, waarin de kritiek slechts zo marginaal wordt aangeroerd dat het weinig overtuigt. Natuurlijk is er de opvallende titel, die het geheel een – verder vrij nietszeggend – historische duiding geeft. En er wordt een duidelijke tweestrijd op de kaart gezet tussen de bourgeoisie en de arbeiders. Dat Irene haar leven als luxepaard inruilt voor de socialistische armoe en deze nieuw verworven positie vervolgens drastisch de kop wordt ingedrukt door haar vroegere omgeving – namelijk: eeuwige opsluiting in het gesticht – valt te bestempelen als simpele ideologiekritiek. Rossellini sympathiseert in deze klassenstrijd met de arbeiders: ondanks de ziektes en geldnood is er in deze wereld sprake van menselijke waardigheid, terwijl de bourgeoisie vooral wordt getypeerd als een domein van oppervlakkigheid.

Monotone mimiek

Het grote euvel van de Zweedse superster is haar vlakke spel. In de film doorstaat ze een rollercoaster aan verschillende emoties, waarin haar uiteindelijke vertolking als heilige de climax vormt. Maar in al deze rigoureuze wendingen blijft haar uitdrukking hetzelfde. Natuurlijk, het is lethargie en apathie wat in haar zielenleven de klok slaat, maar toch verwacht je als kijker wat meer dynamiek. Zeker omdat de film betere wegen in lijkt te slaan als het aankomt op psychologische diepgang hoop je die reikwijdte ook vertaald te zien in het karakter. Het is zonde dat ze op het niveau van de monotone mimiek blijft verkeren, want met de emotionele overtuiging van – bijvoorbeeld – een Maria Falconetti in The Passion of Joan of Arc (1928) zou Europa ’51 al een veel betere film geweest zijn.