De bedplasser – kort verhaal

Al zolang Ricardo Fluid zich kon herinneren was hij een bedplasser. Als hummel van zes vloeiden de eerste druppels onvrijwillig uit zijn lijf. Doodnormaal, zo leek het. Zijn moeder sprak nog plagerig over het ‘rebelse pikkie van Rikkie’. Maar naarmate de tijd vorderde nam het serieuze vormen aan en zette hij continu nachtfonteinen in gang. Pillen tegen urineverlies en sessies met psychoanalytici mochten niet baten.

Op zijn negentiende verjaardag kreeg Ricardo een luier. Eindelijk had hij de schaapjes op het droge. Na nog geen vier uur slaap schrok hij echter wakker. Naast hem lag de kurkdroge Tena-luier. De volgende dag herhaalde hij het riedeltje met een andere pamper, maar ook nu was het resultaat hetzelfde. Hij besloot zijn uitspattingen op film vast te leggen en zag al snel wat er mis ging. Iedere keer deed hij zijn luier uit en nog geen minuut daarna werd het bed bevochtigd. Hij kon twee, drie of zelfs vier luiers tegelijk aandoen. Hij kon ze stevig vasttapen. Hij kon slapen op de harde vloer, gewikkeld in folie. Maar wat hij ook deed, er was altijd het onvermijdelijke vocht. Het was alsof zijn piemel het uitschreeuwde,“ben jij gek? Ik wil de vrijheid!”

De klamme benen en vele wasbeurten waren niet eens het ergste probleem. De lucht was de spelbreker. Een geur als duizend dode ratten die evenzoveel dagen opeengepakt in een riool lagen te rotten. Weerzinwekkend, zuur en penetrant. Ricardo kon schrobben en boenen tot hij een ons woog, maar de associatie met verderf bleef. Hoeveel matrassen hij ook kocht, het stonk altijd in zijn Haagse maisonnette.

Vanuit zijn woning had hij zicht op het Plein. Vaak staarde hij urenlang naar de overvolle terrassen. Hij liet zijn blik dan glijden langs de Binnenhof-bourgeoisie, het plebs en de zoetgevooisde tutjes. Hij verlangde ernaar deel uit te maken van het feest dat beneden gaande was, om te zuipen, te flierefluiten en te ontwaken in een vreemd, droog bed. Maar het mocht niet zo zijn. Aan avonturen in de avonduren deed hij niet. Zodra hij de deur van zijn woning dichtsloeg, vervulde hij een dubbelrol als angstige bedplasser.

Overdag verliep zijn leven op rolletjes. Hij was een inkoper bij Wank Inc., een retail-organisatie. Hij zorgde voor een goedlopend assortiment van computeraccessoires. Een buitenstaander zou niet beter weten, of Ricardo was een ambitieuze en zelfverzekerde jongeman. Ook bij collega’s was hij geliefd. Vriendelijk, creatief en zeker niet onbelangrijk, bereid om vele uren over te werken. Niets wees er op dat Ricardo een verborgen bestaan leidde. Tot die ene druilerige dinsdag in maart.

Het was half tien en het wekelijkse werkoverleg stond op het programma. Samen met zijn twaalf collega’s van de inkoopafdeling nam hij plaats in de vergaderruimte. Inkoopmanager Jorg voerde het hoogste woord en Wiel, zijn assistent, vulde zijn rapportages zo nu en dan aan. De rest staarde apathisch voor zich uit, de blik op oneindig en het verstand op nul. Na een minuut of vijf kwam Ricardo in dezelfde schemertoestand terecht. Hij fantaseerde over wulpse wijven op zonovergoten stranden, zwierend in bikini’s die niets tot de verbeelding overlieten. Zijn fantasie ging over in een dagdroom en direct veranderde de toon. De bikini’s maakten plaats voor incontinentieslips, de borsten werkten als waterkanonnen en een tsunami doemde op uit de oceaan.

“Ricardo, heb jij al contact gehad met die leverancier van de HDMI-kabels?” vroeg Jorg. Geen respons. “Ricardo?!” Nog altijd diep in gedachten verzonken. Inkoopassistente Paméla tikte hem zachtjes aan. Hij schrok wakker en ging meteen over tot de orde van de dag. “Eh… Wat zeg je? Ik dacht even na over het prijspunt van Dell.” Jorg herhaalde zijn vraag. “Nee, daar kom ik deze week niet aan toe. Ik moet eerst mijn kwartaalrapportage afronden,” zei Ricardo. “Okay duidelijk, maar zet het op je prioriteitenlijstje, we hebben die krengen hard nodig!” Ricardo knikte, keek naar de nog altijd levenloze koppen in de zaal en glimlachte beleefd.

Plots stond de wereld stil. Hij voelde nattigheid, en hoe. Een blik naar beneden was genoeg. Op zijn lichtblauwe broek zat een vlek ter grootte van een sinaasappel. In sneltreinvaart overwoog Ricardo de opties: acute buikgriep, een sprong uit het raam, een paniekaanval, rustig wachten tot de meeting voorbij zou zijn, of open kaart spelen. Hij koos voor het eerste. “Kramp, kramp!” schreeuwde hij. Snel verliet hij de vergaderzaal. De inkoopplanners Bart en Leopold hadden de vlek meteen in de gaten en begonnen te lachen. De rest was nog altijd te onverschillig om te verwerken wat er gebeurde. “Ha! Volgens mij had Rikkerd niet alleen last van kramp,” zei Leopold. Waarop Bart hem aanvulde, “Ja, ook z’n slobber was op hol geslagen.”

Ondertussen haastte Ricardo zich naar zijn fiets, terwijl hij met beide handen zijn kruis bedekte. De reis naar huis ging als in een roes. Eenmaal aangekomen nam hij een douche, trok een schone broek aan en staarde in de spiegel. Hij zag niets dan ellende. “In slaap vallen op je werk, het stomste wat je kunt doen, van de pot gerukte lul!” Hij plofte neer op de bank en stuurde zijn manager een sms. ‘Bedorven tjap tjoy van Dong Fok. Acute buikgriep. Ben morgen weer op kantoor.’ De rest van de dag bracht hij door in zelfmedelijden, met een verkrampte kop en gedachten op repeat.

“En, voel je je alweer iets beter?” vroeg de kersverse marketingstagiaire Tanja de dag daarop. Ricardo legde kalm de culinaire situatie van Den Haag Chinatown uit en het effect hiervan op zijn darmflora. Behalve Bart en Leopold leek iedereen zijn smoes te geloven. “Zo, incontinent ventje, is het broekje weer droog?” snauwde Bart ‘m toe. Ricardo fronste en zei: “Lul niet zo slap, ik had de schijteris, ontlastingsvulkanen, de hele dag door!” “Zo zag het er anders niet uit!” “Inderdaad Rikkerd, dat was me toch een joekel van een pisvlek,” vulde Leopold Bart aan. Bijna altijd had Ricardo zijn woordje klaar, maar in dit soort pesterige gevallen trad er al snel mentale kortsluiting op. Hij werd rood en ging aan het werk, met op de achtergrond het geroezemoes van de twee inkoopplanners. De rest van de dag verliep in stilte. Moeizaam, innerlijk onrustig, de aandacht gericht op het kruis.

Het was klokslag vier. Nog altijd was er geen cijfer of woord op het scherm verschenen. Ricardo tuurde uit het raam en dacht na over het voorval van gisteren. “Hadden meer mensen de vlek gezien? Paméla misschien, of Tanja? Dat domme ding. God, hoe dom kan een mens zijn! Hitsig, maar o zo dom. Had zij het in de smiezen gehad? Ze keek naar me. Nee, ik keek naar haar. Die borsten, daar kan niemand omheen…” Plots was het daar, de dagdroom. In een fractie van een seconde was Ricardo weer in de schemerzone aanbeland. Het grensgebied tussen feit en fictie. En jawel, even zo snel vloeide het vocht weer waar het niet gaan kon. Nog voor hij de borsten van Tanja goed en wel voor zich zag, drong de waarheid tot hem door. Wederom een vlek van jewelste, wederom paniek. Blinde paniek.

Zoals altijd herhalen de dingen in het leven zich en dus pakte Ricardo zijn tas van de vloer en spoedde zich naar huis. Toen hij thuiskwam, realiseerde hij het zich maar al te goed: Bart en Leopold hadden de natte broek gezien, maar ook Wiel, Tanja en Paméla. De hele beestenbende. “Wat is er toch aan de hand, waarom overkomt me dit? Alles glipt uit mijn handen!”

Na één week kwam hij de wereld weer onder ogen. Hij was zo bang voor de maandag dat hij uit voorzorg een luier aantrok. Wat er op deze werkdag ook zou gebeuren, zijn broek bleef droog. Ricardo was nog geen minuut binnen of Jorg nam hem apart. “Ricardo, gaat het goed met je?” zei de inkoopmanager bezorgd. “Ja, ik ben weer de oude. Het was een nare week. Ik voelde me zeer, maar dan ook zeer belabberd.” “Luister. Incontinentie is niets om je voor te schamen. Mijn schoonmoeder heeft er ook last van. We kunnen aan Margriet vragen of ze straks een voordeelpak pampers meeneemt. Op kosten van de zaak uiteraard.”

Ricardo werd pislink.

“Wat zijn dit voor een lompe aannames? Er is niets aan de hand! Gelul van de bovenste plank!” Jorg antwoordde kalm, “Wat reageer je vreemd, Ricardo, je problemen zijn doodnormaal, het kan iedereen overkomen.” Ricardo zei geërgerd, “Ik heb geen problemen. Dringt het niet door tot je botte kop, Jorg? Ik ben een doodnormale boerenlul. Ik heb geen haaruitval, geen ronddwalende stemmen in m’n kop, geen genitale wratten en nee, ik ben ook niet incontinent! Get real.” “Wow,” zei Jorg, “je problemen zitten vast diepgeworteld als ik dit zo hoor. Moet ik een bedrijfspsych voor je inschakelen?”

Ricardo was de zogenaamde persoonlijke aanval spuugzat en schreeuwde: “Nee, geen psych, geen vertrouwenspersoon, geen kwakzalvers met helende middeltjes voor op m’n pik, of meer van dat gelul. Laat me gewoon met rust!” Ricardo liep woedend de kamer uit en ging zwaar gepikeerd aan het werk. Een half uur later zag hij Jorg met een bebrild beppie van personeelszaken de vergaderruimte binnenlopen. Hij wist hoe laat het was.

Ook de dinsdag bracht weinig soelaas. Wederom werd hij al vroeg door Jorg op het matje geroepen. Inderdaad, een officiële waarschuwing en formeel geblablabla volgde. Ricardo accepteerde het dreigement en deed vervolgens zijn ding. Zo goed en kwaad als het kon. Zijn bezoek aan het openbare toilet gooide echter snel roet in het eten. Hij ritste zijn broek open en staarde tijdens het plassen naar de muur. Op dat moment kwam de managementassistent Wiel binnen. Wiel, niet geheel vies van wat mannenliefde, wierp stiekem een blik op het disfunctionele orgaan van Ricardo. Vanuit zijn ooghoek zag hij de contouren van iets wits, bij nader inzien een luier. Hij gniffelde. Ricardo draaide zijn hoofd naar rechts en zag de lachende Wiel naar beneden kijken. “Godverdegodver, waar denk je dat je mee bezig bent!? Wiel, gore perv!” Wiel knipoogde en zei verder niets.

Het liefst barstte hij in huilen uit, maar tot die emoties had hij al jaren geen toegang meer. Een kop koffie was het enige alternatief om de gemoederen te sussen. Toen Ricardo met zijn mok vol drek terugliep naar zijn plek, zag hij een nieuwe wallpaper op zijn beeldscherm. Twee babymodellen van Huggies, glimlachend en trots op de witte luier die ze aan hadden. Iedereen in de ruimte lachte. Hij zag de zelfgenoegzame koppen van Wiel, Leopold en Bart, en zelfs de marketingstagiaire was van de vrolijke partij. Hij stamelde: “Veel plezier met jullie smerige spelletje, hier doe ik niet aan mee!” De resterende vijf uur volgden in pijnlijke stilte, met diep van binnen de maalstroom van woede, onophoudelijk en destructief.

Ricardo leek in de dagen daarop de belichaming van een neerwaartse spiraal. Nooit eerder plaste hij ’s nachts zo heftig zijn bed onder, en ook overdag was het vaker raak. Zelfs in wakende toestand. Bovendien werden de pesterijen alsmaar heftiger. Op woensdag kwam een koerier langs met vijf voordeelpakken pampers voor de heer Fluid, Ricardo Fluid. Stuk voor stuk mieterde hij ze uit het raam. Donderdag was de dag waarop Bart de hele tijd glazen water omstootte, zodat hij continu met een natte broek rondliep. En op vrijdagochtend gaf Tanja aan Ricardo het visitekaartje van haar spirituele goeroe, die naar eigen zeggen “voor elk kwaaltje wel een mantra wist”. Waarop Ricardo het visitekaartje in stukken scheurde en Tanja begon te huilen. Als klap op de vuurpijl vertelde Jorg hem aan het eind van de middag dat hij meteen zijn biezen mocht pakken. Ontslag kon snel gaan.

Vanaf die vrijdag zat hij thuis. Hij was de wanhoop nabij. Luiers droeg hij niet meer, zo onverschillig was hij geworden. Er was sprake van een continu gedruppel op het laminaat, de keukenvleur, de bank en het bed. Overal verschenen gele vlekjes. Zo had de woning iets weg van een impressionistisch schilderij – de bevuilde maisonnette van de Haagse Monet. De dagen verstreken en het interieur werd steeds viezer. “Hoe kom ik hier uit? Ik moet hier uit!”. Maar op het ongedierte na kon niemand hem horen.

Op de dertigste dag zag hij in dat het zo niet verder kon. Hij opende het raam en overwoog een sprong. Op weg naar een kurkdroge wereld, een duikvlucht in de richting van de vrijheid. Maar Ricardo was een watje, altijd al geweest, en dus bleef hij stokstijf staan. In stilte. Verder niets dan het hypnotiserende getik van het vocht op de vloer, als een kapotte kraan.

Opeens werd hij opgeschrikt door bekende stemmen. Hij richtte zijn blik naar beneden en zag vier herkenningspunten: de kale kop van Wiel, de stekels van Jorg en de joekels van Tanja. Lunchend op een bankje op het Plein. “Verdammt noch mal!” Ricardo was door het dolle heen. Een deus ex machina van heb-ik-jou-daar! Zonder aarzelen ritste hij zijn kleffe broek open. Vliegensvlug kwam er een reusachtige straal naar beneden. Hij hoorde het helse geschreeuw en zag de doorweekte gezichten van zijn collega’s. Ze keken naar boven. Net als de netwerkende patjepeeërs, studenten, lowlifes met spotgoedkope blikken bier, verdwaalde toeristen en straathonden. Eindelijk. Er was erkennning. Op dat moment, al was het maar voor heel even, ervaarde hij de rust en zag het rebelse pikkie van Rikkie dat het goed was.